Voor mij is het schrijven van poëzie een manier van (over)leven geworden; het is onlosmakelijk met mij verbonden. Ik heb mijn pen nodig om gestalte te geven aan mijn diepste gevoelens en gedachten. In woorden kan ik alle teleurstelling, vreugde en/of verbazing over de fragmentarische, snelle wereld waarin wij leven, kwijt. Een geruststellende stilstand creëren temidden van de waan van de dag. Op het moment dat de woorden zwart op wit verschijnen, voel ik mij lichter worden, leger ook. Dat wat “op mijn rug hing”, is verdwenen in het gedicht.